“Goed gedaan”, zei de broeder. Dat was precies wat ik nodig had.

Het was november, de winter was in aantocht. Na een gezellig en ontspannen weekend waren we bijna weer thuis. Ik kreeg een bericht op mijn mobiel en aan de toon hoorde ik dat het een sms-je was. En die krijg ik eigenlijk alleen maar als er een reanimatieoproep in de buurt is. Terwijl mijn vriendin de link voor de navigatie aanklikte, wist ik al in welke wijk ik moest zijn.

Het was gelukkig erg rustig op straat. Ik haalde een auto in, ik reed met knipperende alarmlichten verder. Ik was binnen 3 minuten na de sms op de plek van bestemming. Toen ik uitstapte, werd  ik geroepen en werd het huis mij aangewezen. Ik was de tweede hulpverlener toen ik de kamer aankwam. Een medehulpverlener die, zo hoorde ik later, tegenover het slachtoffer woont, was al begonnen. Ik pakte het meegebrachte mondkapje en ik ging klaar zitten voor de beademing.

We werkten goed samen, ik volgde zijn ritme, hij keek of mijn beademingen lukten. Kort daarna kwam een derde persoon met een AED. We gingen door met reanimeren en er kwamen agenten binnen, nog een paar hulpverleners en na een paar minuten ook ambulancebroeders.
Het luchtte mij op dat ze er waren, ook al had ik geen benul van tijd en had ik ook geen tijd om daar over na te denken. Het enige waar ik mij mee bezig was, was het beademen. Plakkers werden geplakt, broeders deden hun werk en na een aflossing nam ik de hartmassage over van een agent. Het duurde lang, heel erg lang… Even later bleek het té lang te duren.

“Goed gedaan”, hoorde ik een broeder zeggen, “ben je van HartslagNu?” vroeg een tweede broeder. “Wat waren jullie snel!” En nogmaals: ‘goed gedaan’. Ik voelde mij een beetje leeg toen ik naar buiten liep. Mijn vriendin stond in de kou op mij te wachten, net als een paar buurtgenoten. Ze hadden de meldingen over de portofoon gehoord, ze wisten hoe het gelopen was. Bij de auto bedacht ik mij dat mijn jas nog binnen lag, die was ik even helemaal vergeten. Bezwaard liep ik nog een keer naar binnen, pakte mijn jas, mompelde een verontschuldiging en ik liep weer naar buiten.

Een broeder vroeg of we een nazorg wilden hebben. Buiten stond een agent na te praten met een collega hulpverlener. Ineens herkende ik hem, dat was de hulpverlener die er als eerste was. Ik had niet gemerkt welke wisselingen er allemaal waren geweest. We bedankten elkaar voor de inzet en we gingen weer verder.

Met een dubbel gevoel ging ik thuis even douchen, dronk ik een kop koffie en kletsten we na. Mijn gedachten lieten de gebeurtenissen passeren. “Heb ik gedaan wat ik kon? Ging het zoals het moest? Wat kon er beter of anders?’ Maar het laatste wat ik in gedachten hoorde, was de ‘goed gedaan’ van de ambulancebroeders. Fijn dat je dat zei broeder, dat was precies wat ik nodig had om het af te sluiten!

Michel Penninga