Kerstavond….”Wat nee? Gewoon doorgaan!”

Kerstavond. Wat een leuke gezellige avond moest worden, verliep totaal anders. We hadden net alles klaar gezet om te gaan gourmetten. Ik had net mijn vlees gebakken, toen er om 19:00 uur een gillend alarm afging op mijn telefoon. Ik keek: ‘Reanimatie’. Ik keek mijn partner aan en zij zei: “Ga maar..”. Dit was mijn allereerste reanimatie waarbij ik opgeroepen werd! Het was maar een paar straten verderop. Ik sprong op mijn scootmobiel en vloog naar het adres. Daar aangekomen, zag ik dat er nog geen ambulance ter plaatse was. Ik parkeerde mijn scootmobiel langs de kant, zodat ook het ambulancepersoneel er door kon. In mijn linker ooghoek zag ik een auto met gierende banden aankomen. Het was een collega-burgerhulpverlener. Samen renden we naar binnen naar de lift. Voor mijn gevoel duurde dit een eeuwigheid voordat die kwam! Ik keek op het bord naast de lift op welke verdieping we moesten zijn en ik ben, zo goed als ik kon, via de trap naar boven gerend. Ik rende over de galerij, ik hoorde dat mijn collega achter mij aankomen en het huisnummer roepen. Daar aangekomen, stond de deur al open. We renden naar binnen.  Er zat een vrouw in een stoel bij het raam. Zij bleek een hartstilstand te hebben.

De kamer was zo klein dat wij de salontafel die daar stond aan de kant hebben gezet om plaatst te maken voor de reanimatie. We hebben de vrouw opgetild en op de grond gelegd. Tijdens het optillen en het draaien van het lichaam hoorde ik iets knakken. Ik keek naar beneden en ik zag dat ze een open botbreuk had bij haar scheenbeen. “Niet naar kijken,”  riep mijn collega, “en start de reanimatie.” De adrenaline gierde door mijn lijf. Ik verwijderde de kleding van haar bovenlijf, ik checkte of ze daadwerkelijk geen hartslag meer had en startte de reanimatie. Mijn collega deed de beademing. Ik zag iemand binnen komen rennen, die een AED bij zich had. Deze kon gelijk aangesloten worden op de borst van mevrouw. Ik hoorde de ambulance aankomen. Ik wist dat er professionele hulp onderweg was en dat ze elk moment binnen konden komen.

Voor mijn gevoel waren wij inmiddels al 10 minuten aan het reanimeren. Ik hoorde mijn collega aan de man des huizes vragen wanneer hij de vrouw voor het laatst gesproken had. Dit bleek ongeveer 20 á 30 minuten geleden te zijn geweest. De man was de tafel aan het dekken om samen kerstavond te vieren… Het ambulancepersoneel kwam binnen gerend, terwijl ik een tweede ambulance hoorde aankomen. “Ga maar door met de reanimatie,” werd naar mij geroepen, terwijl het ambulancepersoneel alles klaar aan maken was. Inmiddels had de AED al een keer gecontroleerd of er een hartslag was. Dit was niet het geval. Ik riep dat iedereen afstand moest houden, omdat ik de eerste shock ging toedienen. Ik keek op de AED, die gaf ‘geen hartslag’ aan en ik startte de reanimatie weer.

Inmiddels brachten de mensen van de ambulance al een infuus in bij de vrouw. “Gewoon doorgaan”, werd weer er gezegd.  De AED gaf aan dat hij een tweede shock wilde toedienen en ik riep weer dat iedereen achteruit moest gaan en het slachtoffer moest loslaten. (Als iemand het slachtoffer aanraakt tijdens het toedienen van een shock, dan krijgt die persoon namelijk de shock en niet het slachtoffer die het nodig heeft). Shit, nog geen hartslag en ik startte wederom de reanimatie. Nog meer ambulancepersoneel kwam binnen. Dit was van de tweede ambulance die ter plaatse was gekomen.

Tijdens mijn reanimatie werd de vrouw aangesloten op een ECG (hartmonitor). Ik keek op de monitor en ik zag dat er nog steeds geen hartslag was. Terwijl ik keek, gaf de AED aan dat er een derde shock moest worden gegeven. Ik riep weer dat iedereen afstand moest houden. Ik diende de shock toe, nog geen hartslag! Ik hoorde een ambulancebroeder roepen naar zijn collega ‘intracardiale injectie’, en ik vroeg mij af wat dit zou zijn, terwijl ik doorging. Ik weet niet hoe lang ik inmiddels al bezig was, voor mijn gevoel al een half uur. Als je met een reanimatie bezig bent, heb je echt geen benul van tijd. Het enige wat telt is het slachtoffer!

In mijn ooghoek zag ik een behoorlijke spuit. “Even stoppen met de reanimatie”, werd mij gezegd. De injectie werd via de borstkast recht in haar hart gebracht (hier schrok ik wel van). Er werd weer op de hartmonitor gekeken, nog steeds geen hartslag! Het zweet liep langs mijn hoofd en ik voelde de druppels op mijn rug. Maar ik ging stug door met reanimeren. Ondertussen keek ik mijn collega die met de beademing bezig was aan. Ik zag hem al een klein nee-knikje geven. Ik dacht bij mijzelf: “Wat nee! Gewoon doorgaan!”

De vrouw kreeg een tweede injectie toegediend; nog geen hartslag. Het ambulancepersoneel had inmiddels de open botbreuk van de vrouw verbonden. Opeens voelde ik een hand op m’n schouder. Het was een ambulancemedewerker. Hij zei: “Stop maar, je hebt alles gegeven om deze vrouw te redden.” Ik dacht nog bij mijzelf: “Nee, ik mag niet stoppen!” en ik keek een andere ambulancemedewerker aan die naast mij zat. “Stop maar jongen”, zei ook hij.  De mevrouw was overleden. Er ging toen van alles door mij heen. Was ik te laat gestart? Heb ik ergens iets verkeerds gedaan? Toen ik opstond, zag ik dat de politie ook al aanwezig was. Zij waren met de man des huizes in gesprek. Inmiddels was er ook een ‘coördinator reanimatie’ aanwezig en die begeleidde ons naar buiten, samen met nog een andere politieagent. In de hal van de flat aangekomen, keek ik mijn collega aan. “Wat is er gebeurd? Waar ging het mis? Heb ik gefaald?” De agent antwoordde: “Jullie hebben gedaan wat in jullie macht lag. Jullie hebben gevochten voor deze mevrouw. Helaas was ze al overleden voordat jullie arriveerden. Jullie hebben het geweldig gedaan.” Dit werd ook beaamd door de coördinator.

Nick Straatman